Kerstfeest: God spreekt!

"God voortijds veelmaals en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon"  Hebreeën 1:1

Je kunt je nauwelijks een indrukwekkender slot voorstellen aan het begin van de hebreeënbrief. Deze brief is vol van Christus en zijn genade. Daarvan legt het eerste vers direkt op maje­stei­telijke wijze getuigenis af.

Dat blijkt al direkt als betuigd wordt dat God voortijds gesproken heeft. Daar wordt gedoeld op de tijd van het oude verbond, van Adam tot de komst van Christus. Met de vaderen wordt dan ook niet gedoeld op de aartsvaders maar daarmee wordt het volk Israël aangeduid onder de oude bedeling. Tot hen heeft God gesproken door middel van de profeten.

Als je dat zo leest lijkt dat in zijn geheel niet opmerkelijk. We weten het immers. Maar het is juist heel wonderlijk. God spreekt immers na de zonde­val. Toen in Adam u en ik ons van God hebben afgekeerd, te kennen gaven dat we niet meer naar Zijn stem wilde horen, heeft God zich niet in een eeuwig stil- zwijgen gehuld. Hij had dat rechtens kunnen doen, maar God zweeg niet! Denk maar aan genesis 3. Vlak na de zondeval is het God die de doodse stilte verbreekt. Hij komt weer tot de mens. Hij openbaart zich en zegt: Adam, mens, waar zijt gij? Ziet u nu wat een genade het is dat God nog spreekt? Dat hij nog wilde spreken tot een gevallen mensenkind?

En sinds Adam heeft God niet anders gedaan dan spreken, door de profeten. En Hij heeft dat op verschillende tijden en ver­schillende wijzen laten doen. Het oude testament staat er vol van. De ene profeet moest slechts spreken, de ander moest er een symbo­lische handeling bij verrichten en noem het allemaal maar op. Maar temidden van al die verschillen was er dat ene gemeenschappelijke: Het was Gods stem tot het volk.

En dat roept nu de schrijver in herinnering bij de hebreeën. Zij moeten zeer bekend zijn geweest met het oude testa­ment. En dan valt hier goddelijk licht over dat verl­eden. De Heili­ge Geest wil duidelijk hebben, hoe God reeds van verre tijden af bezig is geweest met zijn volk. Hoe Hij reeds van de schep­ping af heeft omgezien naar deze verlo­ren wereld. Opdat het duide­lijk zij: Zo genadig is de HEERE!

Maar die genade wordt nog overweldigender en onbegrijpelijker als dan gesproken wordt over het komen van Christus. In het laatste der dagen heeft God immers gesproken door den Zoon. In de komst van Christus, spreekt God. Ja Hij spreekt hierdoor op een volkomen wijze. Maakte Hij onder de oude bedeling gebruik van zondige gebrekkige dienaren, in Christus spreekt God op een volkomen wijze. Dit is immers een spreken zonder zonde. Christus spreekt niet slechts over God, zoals de profeten, maar Hij spreekt terwijl Hij zelf God is. In de komst van Christus spreekt God op een onovertroffen en onna­volgbare wijze.

In Christus heeft God zich dan ook zo volkomen geopen­baard, dat er daarna geen openbaring meer nodig is. Alle open­baring die daarop zou volgen zou afbreuk doen aan de volkomen­heid van de openbaring in Christus. Want Christus is immers de kroon op alle openbaringshandelen van God.

Maar wat verkondigt God dan in de komst van Christus naar deze aarde? Zijn barmhartigheid. Gods barm­hartigehden hebben nog geen einde. God heeft geen lust in onze dood, maar daarin dat wij leven zouden. Het predikt ons Gods genade voor verloren zondaren, die het niet waard zijn dat God nog naar hen om zou zien. Het kerstkind spreekt, ja het roept: Wend u naar Mij toe en wordt behouden!

God spreekt in het zenden van Zijn Zoon. Maar hebt u dat spreken al leren verstaan. Is er bij u al de luisterhouding van Samuël gekomen: Spreek Heere uw knecht hoort. Zijn uw oren reeds door de genadige werking van de Heilige Geest doorboord zodat u bent gaan verstaan de stem van God, zijn stem van genade. Wat zal het dan u een vreugde zijn dat we opnieuw dat kerstfeest mogen gaan vieren. Ja dan is er plaats gekomen voor de verwondering en de aanbidding. Heere, wij wilden niet horen naar u en dat u nu zo nog tot ons wilde spreken.

En wat bent u arm als u dit spreken van God nog niet hebt leren verstaan. Dan viert u wel kerstfeest, maar zonder het kerstkind. Dan begrijpt u het niet dat er herders zijn die neerbuigen voor dit kind en dat er wijzen uit het oosten komen reizen. Dan bent u ten diepste nog vreemd aan Christus, ver­vreemd van God.

Maar dan mag ik u raden u te haasten deze Koning te gaan zoe­ken. Want we zijn in de laatste dagen. Na Christus verschij­ning in deze wereld zijn we de laaste dagen ingegaan. Niet jaren of maanden, nee dagen. Het is dus nog maar even, voordat Hij opnieuw komt. De tijd dringt!

Wat een genade ligt er in onze tekst, zo zeiden we. Wat een neerbuigende goedheid van de Heere. Er wordt als het ware in onze tekst over gejubeld. Het klinkt als een vreugderoep aan het begin van dit bijbelboek. De jubel op het kerstkind. De jubel over de sprake die uitgaat van dit kind. Jubelt u mee?

 

                                          W.N.M.